- Hey allemaal, aangezien ik nu nog steeds geen nieuw deel online heb gezet (ik weet het, het is verschrikkelijk.) wilde ik jullie niet al te diep teleurstellen en bedacht ik dus dat ik een ander wel eens wat kon laten schrijven. Dit om mijn slechte zaak te verdoezelen en om jullie bezig te houden en er dusdanig voor te zorgen dat jullie ook echt blijven lezen.
Nu ken ik toevallig een jongen, 23 jaar, (naar eigen zeggen huiveringwekkend mooi, met ogen om in te verdrinken, en vrijgezel, dus…
) die in mijn ogen heel mooi kan schrijven. Sommigen van jullie zullen hem wel kennen, maar dit maakt zijn teksten niet minder mooi
(sorry
). Ik heb hem dus gevraagd een verhaal te schrijven, zodat ik hier wat kan posten. Hij vroeg me waar het over moest gaan, en hoe lang het moest zijn. Dat heb ik hem verteld (maar ik zeg het jullie niet, dan is t leuker lezen) en hij begon. Een korte tijd later was het verhaaltje klaar, en nu komt het dus online! Hiermee wil ik jullie laten zien wat anderen schrijven, (haha, eigendunk, nog maar net 2 teksten online en nu al laten zien dat anderen ook niet slecht zijn
) en ondertussen zelf proberen mijn nieuwste deel af te krijgen voor ik naar Rome ga aanstaande vrijdag. Mijn eigen tekst is zo laat aangezien het me niet lukte iets fatsoenlijks neer te pennen, en ik dus liever even wachtte zodat ik wel weer kwaliteit kon leveren (ofja, in mijn ogen kwaliteit dan:P)
Vlinders.
‘He wat een kloteweer’ verzuchtte Erik terwijl hij de paraplu voor de 4e keer vandaag openklapte. ‘Ik snap er niets van, het is al midden Maart en nog altijd lopen de weergoden te klieren’. Zacht tikkend drupt de regen van zijn paraplu terwijl hij zijn weg vervolgt richting school. Over een paar uur heeft hij een belangrijk practicum wat hij moet halen voor scheikunde en er zijn nog last minute zaken om uit te stippelen.
Twee weken geleden kreeg hij de opdracht om zelf een proefje te verzinnen voor scheikunde om iets aan te tonen naar keuze. Omdat Erik een nogal cynisch persoon is, besloot hij de alombekende legende van vlinders in de buik maar eens danig te ontkrachten. ‘Liefde bestaat niet’ was zijn gevierde credo. ‘Het is enkel de mens die zijn lust niet in bedwang kan houden en daar dan vervolgens hoffelijke etiketjes op te plakken om zodoende zijn eigen instincten te omzeilen’.
De meisjes in zijn klas giechelden stom terwijl Erik deze zin op de zijn gebruikelijk theatrale wijze vertolkte en hoewel menig jongen van 15 jaar door zo’n reactie van zijn stuk zou worden gebracht sterkte het Erik echter in zijn gedachte. ‘Meisjes zijn waardeloos, je hebt er niets aan’.
Erik snapte de hele mythe rondom de vlindertjes ook niet. Hij vond het kinderachtig gekonkel van volwassenen. Allemaal die verhalen over mannen die een vrouw zien en dan op slag verliefd worden. ‘mij niet gezien’ riep Erik dan uit, ‘ik vind mensen die ik een tijdje ken al niet leuk, laat staan als ik ze direct zie’.
Terwijl Erik dus in gedachten zijn experiment voorbereidde merkte hij niet dat de regen was gestopt, en erger nog, merkte hij niets op van de omgeving om zich heen. ‘AUW, Jezus man kijk toch es uit’ schreeuwde plots een vreemde jongen. Erik was vol tegen hem opgelopen en had hem zelfs met de spijlen van de paraplu per ongeluk in het gezicht geslagen.
‘Sorry, sorry,sorry’ stamelde Erik beduusd terwijl hij de jongen die op de grond was gevallen goed bekeek. Hij kwam hem vaag bekend voor maar hij kon de jongen toch niet plaatsen. Terwijl hij de jongen goed bekeek speelde een flauwe glimlach op zijn lippen. ‘Zie je’ dacht Erik bij zichzelf, ‘hier kan geen meisje aan tippen’. De jongen die voor hem stond had golvend donkerbruin lang haar, groengrijze ogen, een egaal gezicht met hoge jukbeenderen, slank figuur en een speelse uitstraling. Nou ja speels, voor zover je speels kon zijn met een halve paraplu in je strot en een Erik die half op je staat omdat hij niet uitgekeken had.
‘Zou je me niet eens omhoog helpen’ klonk de verontwaardigde stem van de jongen op de grond. ‘J-j-ja,nee, uh,.sorry, ik help je nu’ stamelde Erik terwijl hij de uitgestoken hand van de jongen accepteerde en hem omhoog hielp. Elektriciteit gierde door zijn lichaam zodra hij de hand aanraakte, een vonk vlamde door zijn lichaam. Statische elektriciteit de schuld gevende keek Erik een beetje schaapachtig om zich heen. ‘U-uh, hoe heet je?’ Vroeg Erik om maar iets te zeggen. ‘Noah’ zei de jongen terwijl hij zich afborstelde ‘Noah ten Akker’.
Plots viel het Erik in, deze jongen zat bij hem op school, één klas hoger dan hem en er gingen geruchten rond op school dat Noah een beetje vreemd was. Een gerucht waar Erik niets van snapte want wat hij voor zich zag was alles behalve vreemd.
‘Kan ik het een beetje goedmaken door je te trakteren op een drankje’ zei Erik tegen Noah nog voordat hij zich realiseerde dat hij de zin gevormd had. Een glimlach brak door op Noah’s gezicht terwijl hij het aanbod accepteerde en voordat Erik het doorhad liep hij samen met Noah naar een dichtbijgelegen cafeetje . Ze babbelden samen gezellig terwijl het buiten steeds mooier weer werd. De regen had al afgenomen, de zon brak door en voor het eerst sinds de herfst zijn gure intreden deed zoveel maanden terug was er iets van warmte en broeierigheid in de lucht.
Erik zocht intussen zoveel mogelijk excuusjes voor zijn zenuwachtigheid in de nabijheid van Noah. ‘je bent gewoon nerveus omdat je hem bijna heb vertrappeld’ zei hij eerst tegen zichzelf, daarna zei hij ‘ach joh, je bent gewoon nerveus omdat je niet weet hoe je het goed moet maken’. Maar het feit was, dat Erik voor het eerst onmiskenbaar en niet te ontkennen kriebels had in zijn buik.
Om zijn zenuwen te maskeren begon Erik meer en meer te babbelen en op een gegeven moment hadden hij en Noah het over vlinders in de buik. ‘PHA, spreek me er niet van’ zei Erik, ‘ik heb die dingen nog nooit gehad bij een meisje.’ ‘Sterker nog, ik ben nu bezig met een experiment om te bewijzen dat er geen vlinders zijn, het zijn maar domme stofjes in onze hersenen die ons besturen’.
‘Ow’ zei Noah, ‘Dat is interessant’, ‘ik heb ook nog nooit kriebels gehad als ik een meisje zag, maar toch kriebelt het soms wel’ en terwijl hij dit zei, gaf hij een klein geniepig lachje richting Erik, wat Erik totaal van slag maakte.
Gaandeweg het gesprek merkte Erik dat hij wel degelijk vlinders in de buik had, voor het eerst was hij zich er van bewust en hij schrok zich suf. ‘Ik heb vlinders in de buik voor een jongen’ dacht hij bij zichzelf terwijl hij het tegelijk ijskoud en bloedheet kreeg. In een opwelling kuste hij Noah op de mond.
Direct na de kus trok Erik zich als door een bij gestoken terug van het gezicht van Noah en werd vuurrood. Noah kuste echter gretig terug en zei ‘hè-hè, ik dacht dat het er nooit van zou komen’ . ‘Hoe bedoel je’ zei Erik, verward door Noah’s opmerking. ‘Nou simpel gekkie’ zei Noah, ‘ik vind jou al tijden leuk, en probeer al lang met je in contact te komen’.
Erik veerde op bij die woorden en zag toevallig de klok in het café hangen die aangaf dat het bijna tijd was voor het practicum. ‘Heb jij zometeen nog les of ben je al uit? ‘Ik ben al een uur klaar met school’ zei Noah waarop Erik hem meevroeg voor het practicum.`
Lopend door de warme lentezon met Noah aan zijn zijde had Erik niet eens door dat hij zijn paraplu was vergeten in het café, hij liep direct door naar het scheikundelokaal waar de docent alles al had klaargezet voor zijn practicum.
‘Nou Erik’, zei de docent, ‘we zijn allemaal benieuwd naar je practicum om te bewijzen dat vlinders in je buik niet bestaan. Ga je gang’. Erik liep naar het bord, schraapte zijn keel en zei ‘dit zal geen lang practicum worden, ik heb het een beetje aangepast’. Vervolgens schreef hij op het bord in grote letters: VLINDERS BESTAAN WEL, EN DE LENTE IS DE SCHULD. Vervolgens liep hij naar Noah toe, en hand in hand liepen ze naar buiten, genietend van de rest van de mooie lentedag.